Feeds:
Berichten
Reacties

img4747_coverVervolgartikel van: Wat is ‘esoterisch geloven’ eigenlijk?

Boele Ytsma in CV.Koers:
“Ook krijg ik reacties van mensen die afgewezen zijn in het verleden, omdat ze zich bijvoorbeeld met meer esoterisch christendom bezighielden, of omdat ze homoseksueel zijn. Zij hebben zo schrijnend het contrast gevoeld tussen de harde veroordeling enerzijds en de vrome woorden anderzijds.”

Uit: Interview met Boele P. Ytsma in CV.Koers 09/2009.
Ik wil twijfelaars een hart onder de riem steken‘.

Er zijn nogal wat bloggers die uitgebreid aandacht hebben besteed aan het boek Van de kaart, van Boele Ytsma. Tot nu toe heb ik slechts op enkele blogs een korte reactie geplaatst. Ook nu stip ik alleen kort een paar dingen aan.

Het verbaasde me dat er in het boek, zij het summier, iets te vinden was op het gebied van esoterisch geloven. Een tweede element dat mijn aandacht trok, wordt ook genoemd in het CV.Koers interview. Ytsma verwijst naar de opmerking van Klaas Hendrikse, dat wij God vaak achteraf zien, namelijk in ontmoetingen en in ontroering. God zegt tegen Mozes: ‘Niemand kan mijn aangezicht zien en leven, maar je mag me wel zien, maar in het voorbijgaan.’

“Je moet God aanwijzen in waar je Hem tegenkomt.” – “Kijk, Hij was daar. Als je op die manier openstaat voor de aanwezigheid van God, dan ben je wat mij betreft heel erg gelovig.”

De twee vragen die ik hieraan ontleen zijn misschien eenvoudig, maar een goede beantwoordig vereist wel enig denkwerk. Denkt u met mij mee?

    1. Is een reëel gevoelde ervaring met Christus per definitie een ervaring met de Bijbelse Jezus Christus, of anders gezegd, wat moeten wij met (de term) esoterisch christendom?

    2. Kunnen wij God op enigerlei wijze zien of ervaren en wanneer is een dergelijke (geloofs)ervaring een authentieke ervaring in lijn met (de) oude christelijke geloofstraditie(s)?

Goddelijke Vrijheid
Ik begin met de tweede vraag. Die vraag komt mede voort uit de recensie van Riemer Roukema van het boek Goddelijke Vrijheid van Hennie Kruize. Roukema verwijst ondermeer naar de mystieke traditie van de kerk, al bij de kerkvader Augustinus te vinden. En daar is nu ‘toevallig’ net een prachtig boekje over verschenen: Kunnen we God zien? Augustinus brief aan Paulina, van Thijs Rutten, uitgeverij Ten Have (2009). Ook al sta je kritisch tegenover kerk en theologie, dan hoeft dat niet automatisch te betekenen dat je daarmee helemaal moet afwijken van de christelijke geloofstraditie, zoals bijvoorbeeld Fennie Kruize nadrukkelijk doet. Als resultaat ziet Roukema een slecht gefundeerd boek.

Wat Kruize in het geheel niet duidelijk maakt, is waarom haar afwijzing van een starre, vreugdeloze orthodoxie zou moeten leiden tot haar westers-esoterische spiritualiteit. Er zijn ook theologieën die op een kritische wijze toch veel meer in de lijn staan van de oude christelijke geloofstraditie. Die hedendaagse vertolkingen zijn voor haar kennelijk geheel achter de horizon verdwenen. Het gevolg is dat zij een verbijsterend ongenuanceerd en slecht gefundeerd boekje heeft geschreven. Vermoedelijk toont deze kritiek voor Kruize aan dat ik een autoritaire professor ben, en dan nog van het mannelijk geslacht ook.

Wat kunnen we in redelijkheid verstaan onder een authentiek christelijke geloofstraditie? Daar zijn veel antwoorden op te geven, maar daarvoor verwijs ik graag naar een recente Tweet van theoloog John Piper. Op Twitter dus, kwam ik het volgende tegen: “Perhaps the most important paragraph I ever read outside the Bible in conceiving #ChristianHedonism.” In een paar treffende volzinnen legt Jonathan Edwards het verband tussen ‘God’s glory’ die wij als mens in ons verstand, maar óók in ons hart kunnen ervaren. “He that testifies his having an idea of God’s glory don’t glorify God so much as he that testifies also his approbation of it and his delight in it.” Een dubbele godservaring dus. De eerste vraag heb ik geprobeerd hiermee te beantwoorden. :-)

Van de kaart
Ik wil nu ingaan op de eerste vraag. Wie het pad van bijbels geloven verlaat, kan zich ongetwijfeld nog lange tijd thuisvoelen in de veilige bedding van kerk of gemeente. De vraag is of het afdwalen van de oude christelijke geloofstraditie (Roukema), zomaar tot een vorm van esoterisch christendom kan leiden. En wat heeft die variant, of een andere theologie, dan nog voor bijbelse geloofswaarde? Deze vraag is eerder, zij het in iets andere vorm, indringend aan de orde gekomen op de blog van Jos Douma. Zie daarvoor het laatse artikel in een reeks, met de titel: Omdat het mij raakt, in response op het boek Van de kaart, van Boele Ytsma.

Het klinkt sympathiek, te schrijven (pag. 176) dat ‘geloven veelkleuriger is dan ooit’, maar als Ytsma expliciet verwijst naar de eerste eeuw gekoppeld aan hetgeen hij met enthousiasme schrijft over New Age, oude gnostiek en esoterisch christendom, dan vind ik dat schokkend. Al op 15 november 2007 schreef Ytsma een uitgebreid blog over dit thema: De veelkleurigheid van de kerk, duidelijk in de ban van theoloog G.P. Luttikhuizen. Twee citaten:

“Oude en nieuwe mystiek worden hartstochtelijk omarmd door hen die thuiskomen van de koude kermis die kerk heet.” en “Nieuwe vormen van vrijzinnigheid die zich verbinden met oosterse wijsheid – het blijkt een succesvol recept.”

In zijn boek verwijst Ytsma met name naar Hans Stolp. Ik vind dit allemaal zeer schokkend, want dat Ytsma zich buiten het belijden van de kerk der eeuwen plaatst mag inmiddels bekend zijn, maar dat hij zich zo geboeid weet juist door die spirituele stromingen waartegen de kerk zich altijd zo heeft verzet, vind ik een teleurstellende ontdekking. Niet dat Ytsma zoveel meer schrijft over ‘esoterisch geloven’ dan ik hier nu bespreek, maar toch…

De titel van deze posting verwijst naar het boek Ervaringen met Christus, Ten Have (2005), waarin Hans Stolp (en drie andere auteurs) zijn persoonlijke geloofsontwikkeling beschrijft. Het boek is een über-bonte aaneenschakeling van Oosterse mystiek. Opmerkelijk is de centrale positie die het fenomeen bijna-dood ervaring (BDE) inneemt in de levensbeschouwing van Stolp. Een onderwerp dat ik ook uitgebreid op dit blog bespreek, maar daar heel andere consequenties aan verbind dan Stolp blijkbaar doet.

De vraag dringt zich op, weet Boele Ytsma eigenlijk zelf (nog) wel waar hij staat, of is het ‘Zoekend Geloven’ een permanent doel op zich geworden? In zijn boek verwijst Ytsma naar een Joodse sage, waarin God nederdaalt met Zijn antwoorden, waardoor het onderlinge gesprek tussen twee twistende rabbi’s verstomd. God wordt subiet weggestuurd en daardoor herleeft, godzijdank, het debat. De naam van dit blog Entgegnung, is overigens ook ontleend aan een Joods verhaal. Twee twistende rabbi’s dalen af van hun ezel (hun hoogte) en lopen elkaar in ootmoed tegemoet. Het is meer onze eigenwijsheid (en theologische trots) die we moeten afleggen, dan dat we Goddelijke antwoorden zouden moeten vrezen. ‘Zittend Luisteren’ aan de voeten van de Meester, zou de bekende christen-mysticus Sadhu Sundhar Singh zeggen, maar Jezus is en blijft wel de Meester en niet ‘onze’ naaste buurman zonder dogmatiek. De bijbel oprecht aan het woord laten is voor niemand gemakkelijk. Confronteren doen Jezus én de apostelen ons allemaal; orthodox én vrijzinnig, maakt niet uit.

Is mijn eerste vraag hiermee nu ook beantwoord? Slechts ten dele denk ik. Voor een vollediger antwoord wil ik tot slot wijzen op een heel ander boek, namelijk The Beautiful Side of Evil van Johanna Michaelsen. Er is geen boek (dat ik gelezen heb) dat zo duidelijk uitlegt, dat wie de weg van meditatie en christusverschijningen opgaat, onvermijdelijk de duisternis indrijft. En, je krijgt dat pas door (keihard voor je kiezen) op het moment dat je je eraan probeert te ontworstelen. Voor sommigen kan dat zelfs te laat zijn, want de boze is nu eenmaal een slecht verliezer. Wie verder wil lezen over moderne esoterie en zoganaamd christelijke meditatietechnieken, moet dit enorm belangrijke boek lezen. Ik garandeer u daarbij een spannende ontknoping; in het Zwitserse L’Abri nog wel. Een onmisbaar boek voor post-moderne twijfelaars!

This book, The Beautiful Side of Evil by Johanna Michaelson is an extraordinary story about Johanna’s involvement in the occult and how she learned to distinguish between the beautiful side of evil and the true way of the Lord.

    Voor nog meer artikelen van Riemer Roukema over gnostiek en esoterisch geloven, verwijs ik naar mijn website apologia.nl

    Voor een bespreking van bijna-dood ervaringen vanuit christelijk perspectief, verwijs ik naar de categorie Bijna Dood Ervaring op dit blog.

Dit is het vervolg van: Wat is ‘esoterisch geloven’ eigenlijk?

9020202847“Je kunt duizend euro betalen voor een sessie met spiritueel teacher Chopra, maar ‘m ook gewoon op Twitter volgen.” Dagblad De Pers – 8 oktober 2009.

Dit citaat is genomen uit een leuk artikeltje over sociaal netwerken. Volg inspirators: wil je de lezer iets duidelijk maken, dan geef je een ‘inspirerend’ voorbeeld, namelijk van Deepak Chopra, nietwaar?

In de eerste jaren van mijn christenzijn (jaren zeventig) las ik het e.e.a. over goeroes. Zelfs over de Death of a Guru. Niet dat het fenomeen ‘Guru’ mij speciaal trok, maar er was gewoon aandacht voor en er verschenen boekjes over. Nog steeds zijn er Goeroes; in allerlei gedaanten doen ze zich voor. En nog steeds is het zinvol te waarschuwen tegen deze en dergelijke vormen van geestelijke misleiding. Daarom het volgende citaat uit het Nederlands Dagblad – 8 oktober 2009.

Esoterisch geloven
In de krant van 1 oktober las ik over de ruimte die de PKN lijkt te bieden voor esoterisch geloven. Vanuit mijn persoonlijke ervaring wil ik hier ernstig voor waarschuwen. Ik heb ontdekt dat de bron van het esoterisch geloven een andere is dan de bron van het Evangelie van onze bevrijder en geneesheer Jezus Christus. In mijn schoolperiode op de vrije school heb ik kennisgemaakt met de esoterische manier van denken, geloven en leven. Het trok me aan en ik verdiepte me er in. Na verloop van tijd werd ik erg ziek, depressief, verward en angstig. Na gebed en een diepgaand proces van genezing en bevrijding heb ik aan den lijve ervaren dat Jezus ons bevrijdt van onze zonden en onze geneesheer is. In het esoterisch denken gaat men uit van reïncarnatie. De mens moet zichzelf en de ‘Christusgeest’ in zichzelf, door spirituele (occulte) oefeningen en handelingen ontwikkelen. De mens en zijn vermogens staan centraal in plaats van Gods genade. Ik wil ervoor pleiten dat de PKN de deuren gesloten houdt voor esoterisch geloven.
Naam schrijver bij de redactie bekend.

Graag sluit ik mij aan bij deze oproep. Het was inderdaad schokkend wat er te lezen viel in de krant van 1 oktober j.l. Hier leest u het hele artikel. Ik beperk me tot het volgende:

Verlosser
Fennie Kruize heeft haar liefde voor esoterisch geloven verwoord in het boekje Goddelijke vrijheid. Esoterisch gedachtegoed botst echter met de klassieke kerkelijke leer. ,,In haar boek neemt ze onder andere stelling tegen de gedachte, verwoord in artikel 1 van de kerkorde, dat Jezus Christus de (enige) ‘Heer en Verlosser van de wereld’ is”, aldus de regionale kerkvergadering die de thema-avond in Groningen had belegd. ,,Volgens haar gaat het niet om Jezus van Nazaret op zich, maar om de ‘Christusgeest’, die niet exclusief eigen is aan christenen, maar die in ieder mens aanwezig is en heilzaam werkt, waar die door een mens in zichzelf wordt gevonden.”

Geheimenis
De uitgenodigde spreker hield een betoog over westerse esoterie met uitspraken als: ,,Het begrip esoterie, afgeleid van het Griekse esoterikos (het innerlijke), is een begripsbepaling voor een grote verzameling van mystieke en religieus-filosofische stromingen. Reeds Jezus van Nazaret bestempelde zijn uitspraken die alleen voor zijn toehoorders bestemd waren, tot een geheimenis. We kunnen die ook duiden als esoterisch.”

Boswinkel signaleerde dat de esoterische religiositeit steeds minder als een tegencultuur wordt gezien. ,,Zij richt zich juist op onder- en onbelichte aspecten van het christendom en de postmoderne samenleving.”

Hij schetste verschillende modellen om de Bijbel uit te leggen. Zijn kanttekening was regelmatig: ,,Er is niets mis mee. Als je je daar lekker bij voelt, moet je dat gewoon doen.”

Een predikant stelde daarop dat de kerkleer voortdurend opnieuw doordacht moet worden, ,,maar er zijn wel grenzen”. ,,En die grens is niet ‘als je je er maar lekker bij voelt’.”

Een volgende uitte juist zijn blijdschap over het open karakter van de Protestantse Kerk. Uiteindelijk moet je ook ,,weren wat de kerkleer weerspreekt”, maar ,,de grenzen zijn vloeiend”.

Boswinkel wierp op dat als de mens (na zijn fysieke leven) voor de Schepper staat, hem niet gevraagd wordt van welke kerk hij lid is of welke leer hij aanhangt. Nee, de Schepper zal vragen: ‘Wat heb jij met je leven gedaan?’

Hoe weet u dat?, was prompt de reactie. Uit ,,empirisch onderzoek”, luidde Boswinkels antwoord. Hij refereerde aan bijnadoodervaringen, zoals beschreven door de cardioloog Van Lommel. ,,Wat u hierover te berde brengt, wordt wetenschappelijk weersproken”, reageerde zijn opponent in de zaal. ,,U bent zeer slecht op de hoogte van de wetenschappelijke stand van zaken”, repliceerde Boswinkel. Hij legde in het algemeen veel nadruk op de wetenschappelijke basis die esoterisch gelovigen zoeken. Later zei hij nog eens heel gedreven: ,,Het is belangrijk wetenschappelijk onderzoek naast Bijbelteksten te leggen.”

Wat we hier zien is ronduit schokkend. Er wordt glashard beweerd dat er een wetenschappelijke basis zou zijn voor esoterisch geloven en wel met een beroep op het onderzoek van Pim van Lommel. Dat is op z’n zachtst gezegd een dubieuze zaak, want Van Lommel beweert veel, maar niet dat hij een bewijs levert voor esoterisch geloven. En het is zeker waar dat er vanuit de moderne wetenschap meer kritiek op Van Lommel zijn bevindingen is dan dat hij bijval voor zijn verklaringsmodellen van bijna-dood ervaringen oogst.

We kunnen er echter niet meer omheen, de verbinding is gelegd: esoterisch geloven en wetenschappelijke onderbouwing via de bijna-dood ervaring. Nu is daar ook na de studiedag ‘Eindeloos bewustzijn’, die in december 2008 in het VU Medisch Centrum werd gehouden, het laatste woord nog niet over gezegd, maar de toon is gezet.
Gelukkig hebben we in christelijke kring een groot kenner op het gebied van esoterie en gnostiek (iets van hetzelfde) in de persoon van Dr. R. Roukema, hoogleraar Nieuwe Testament aan de Protestantse Theologische Universiteit, vestiging Kampen. In de krant (ND) van 5 juni j.l. schreef hij een kritische boekbespreking van het boek van theologe Fennie Kruize Goddelijke vrijheid. Een heilzame weg. Ik ga nog proberen om met toestemming van de auteur de boekbespreking in z’n geheel beschikbaar te maken, maar voor nu vermeld ik tot besluit de laatste alinea.

Op de voorzijde staat een foto van rotsige bergen met water op de voorgrond. Uit de rotsen ontspringen twee watervallen, maar het is in één oogopslag duidelijk dat die watervallen nep zijn, gefotoshopt, zoals dat heet. Er is niet eens een serieuze poging gedaan de foto zo aan te passen dat de watervallen wel echt lijken. Onprofessioneel dus; er klopt iets niet. Zo staat de voorzijde van het boekje onbedoeld symbool voor de inhoud: er klopt hier iets niet.

    Voor nog meer artikelen van Riemer Roukema over gnostiek en esoterisch geloven, verwijs ik naar mijn website apologia.nl

    Voor een bespreking van bijna-dood ervaringen vanuit christelijk perspectief, verwijs ik naar de categorie Bijna Dood Ervaring op dit blog.

Inmiddels is het vervolgartikel verschenen: Ervaringen met ‘welke’ Christus?

feitoffictieIn Marcus 1:8 zegt Johannes de Doper, dat Jezus zal dopen met de heilige Geest. Bij de oudtestamentische profeten Jesaja, Ezechiël en Joël is het de HEER (oorspronkelijk JHWH) die zijn geest zal geven (16). Dit betekent dat Jezus ertoe is bestemd, de rol van HEER op zich te nemen.
Riemer Roukema

Uit: Jezus als de HEER in de evangeliën van Marcus en Johannes, in: Over God (Meinema, 2007).

1. Meer dan timmerman
Voor een goede inleiding op ons onderwerp verwijs ik graag naar het boekje van Josh McDowell: Jezus Feit of fictie? Op 16-jarige leeftijd heb ik een reeks lezingen van Josh McDowell bijgewoond in Haarlem. De onderwerpen die hij daar behandelde zijn allemaal terug te vinden in dit boek. Zelf heb ik de eerste Nederlandstalige versie met de titel: Meer dan timmerman, kwa omvang te vergelijken The Hobbit van J.R.R. Tolkien in verhouding tot diens magistrale trilogie The Lord of the Rings. Josh McDowell heeft namelijk veel meer geschreven dan dit kleine boekje, zoals zijn diverse ‘Evidence boeken’ en andere apologetische studies.

In het eerste hoofdstuk bespreekt McDowell achtereenvolgens de naam (en titel) van Jezus Christus, de goddelijke eigenschappen zoals in het Nieuwe testament aan Jezus toegeschreven, het belangrijke gegeven dat Jezus eer en aanbidding ontving en het feit dat de meeste volgelingen (acht concrete voorbeelden worden genoemd) van het eerste uur vrome Joden waren die allemaal in één God geloofden. Vervolgens bespreekt hij tal van teksten en gebeurtenissen uit de vier evangeliën, mede in het licht van de toenmalige religieuze context. Uit de heftige reacties van de Farizeeën en de Sadduceeën op de woorden van Jezus, zien we juist wat er echt speelde bij die interacties. De goddelijke claims van Jezus, die de toenmalige toehoorders heel goed begrepen, kun je mede afleiden uit dergelijke gebeurtenissen.

In eerste instantie wilde ik hoofdzakelijk naar de synoptische evangeliën kijken (Mattheüs, Markus en Lucas). Inmiddels vind ik dat geen goed uitgangpunt. Het voelt als een knieval voor de sceptici (lees: vrijzinnige theologie). De volgende stap zou dan moeten zijn alleen naar het evangelie van Markus te kijken, algemeen beschouwd als het oudste evangelie. Ter illustratie een citaat uit Meer dan timmerman. Het leuke hiervan is, dat ik me nog kan herinneren hoe Josh McDowell dit in een van zijn lezingen gebruikte.

“Toen ik eens een lezing hield voor studenten in de literaire faculteit van de universiteit van West Virginia, onderbrak een professor me en zei dat het enige Evangelie waarin Jezus beweert God te zijn, het Evangelie van Johannes was en dat dit het laatst geschreven was. Hij beweerde vervolgens dat Markus, het oudste Evangelie, die aanspraak van Jezus op God-zijn niet eenmaal noemt. Het was duidelijk dat deze man Markus niet had gelezen – of niet veel aandacht had geschonken aan wat hij las.”

Vervolgens bespreekt McDowell twee voorbeelden uit het Markus Evangelie, waaruit duidelijk het tegendeel blijkt van wat deze professor beweerde. Frappant aan deze anekdote is, dat je op z’n minst zou mogen verwachten dat die sceptische professor iets interessants te melden had over de verhaalstructuren of verteltechnieken in het Markusevangelie. McDowell maakt er in ieder geval geen melding van.

In verband met die literaire aspecten noem ik het boek van Wessel Stoker: Is geloven redelijk? (Meinema, 2004) Een academisch juweeltje over de relatie apologetiek en geloofsbeleving. Ter illustratie van zijn studie gebruikt Stoker speciaal het Markus evangelie (pag.150-178). Als opmaat van zijn eigen analyse geeft hij een citaat uit Christology as Narrative Quest van M.L. Cook. Zijn kernachtige reactie daarop vermeld ik hier in plaats van zijn hele verdere betoog (in: “II.4.3.2 Marcus als narratieve verklaring”). Dit omdat het goed als samenvatting kan dienen en voor nu voldoende is.

Cook wijst hier op het extra van het evangelieverhaal in vergelijking met de gebeurtenissen uit het leven van Jezus. Het evangelieverhaal geeft de plot en daarmee de identiteit van Jezus aan zoals dat niet mogelijk zou zijn geweest tijdens Jezus’ leven zelf. Het is immers geschreven vanuit de ‘vertelde tijd’, vanuit het einde, vanuit de gekruisigde Jezus die opgewekt is uit de doden. Daarom kan Marcus inzetten met de woorden ‘Het begin van het evangelie van Jezus Christus, Zoon van God’. Het evangelieverhaal laat het geheel van Jezus’ optreden zo zien dat het antwoord geeft op de identiteit van deze mens: Hij is de messias (Marc. 8:29), de messias, de Zoon van de Gezegende (Marc 14:61).
Het extra van het bijbelverhaal betreft ook de werking op de lezer of luisteraar. Cook wijst in dit citaat erop dat het verhaal ons de eigen persoonlijke en gemeenschapsidentiteit laat ontdekken in de voortgaande geschiedenis van God. We zijn als mens verhaal in aanleg. Op de vraag wie we zijn, kunnen we ons levensverhaal vertellen, dat verdiept wordt door confrontatie met het bijbelverhaal om zo te komen tot een keuze waar wij in het leven staan.

Ik moet het hierbij laten. Ik heb een zeer prettige herinnering aan het mini-symposium op de VU waar genoemd boek van Wessel Stoker besproken werd. De auteur verdedigde zijn stellingname in stijl tegenover een fanatiek-atheïstische opponent. Hij noemde ondermeer de menselijke liefde als teken van de aanwezigheid van God in deze wereld (zie ook: II.5.3.1 Het hart als knooppunt van de affectieve kennis). Kortom, een mooi boek met sterke argumentaties..

2. Een noodzakelijk zijspoor…
Het is niet mijn bedoeling om een studie van de twee-naturen-leer van Christus (concilies etc.) te maken. Ook is het niet mijn opzet om (zo ik dit al zou kunnen) hier de leer van de ‘drie-eenheid’ te behandelen, of de betekenis van ‘Zoon van God’ te bespreken in relatie tot de notie van ‘Zoon des mensenn’ (veelvuldig genoemd in de evangeliën). Wat ik hier hoofdzakelijk wil doen is een studie naar de identitiet van Jezus, simpelweg zoals die in de evangeliën naar voren komt. Echter, een incidenteel uitstapje naar een kleine apologie voor sceptici is moeilijk te vermijden…

Zoals ik het zie: ‘the authors of the gospels leave no room for doubt.’ Maar hoe kan het dan, dat we onlangs in het Nederlands Dagblad konden lezen dat volgens enkele bekende (vrijzinnige) theologen Jezus niet (gelijk aan) God is? Een citaat:

“Offringa oordeelde echter dat Hoogenkamp zich verwijdert van Jezus’ woorden. Hij heeft zelf duidelijk gemaakt geen God te zijn. Haasnoot was het daarmee niet eens: ,,Juist de goddelijkheid van Jezus heeft de weg naar het kruis in gang gezet. Het conflict met de joden ontstond niet omdat Hij zo anders was, maar omdat hij liet staan dat mensen Hem identificeerden met God.”

De vrijzinnige PKN-dominee Jan Offringa doet in zijn boek Na een gezonde geloofscrisis (Skandalon, 2008) een verwoede poging het optreden van Jezus tijdens Zijn laatste dagen primair te bezien tegen de achtergrond van “Jezus’ conflict met de Sadduceeën en de priesterfamilies van het Sanhedrin.” Offringa denkt af te moeten rekenen met de idee van een Goddelijk plan waarin de kruisdood van Jezus plaats en doel zou hebben gehad. Hij wil, naar eigen zeggen, “een vrij gangbaar beeld onder gelovigen bijstellen.” Jezus zou, inspelend op de ontwikkelingen, zoekend en tastend zijn weg door het leven gaan en gaandeweg ontdekken dat zijn boodschap, naast bijval, ook grote weerstanden opriep, etc. Jezus blijft, aldus Offringa, “tot op het laatst een aangevochten mens.”

Waarom dit uitstapje? Ik wil hier beargumenteren, en dit in tegenstelling tot wat Offringa beweert, dat orthodoxe theologen eveneens beamen dat de tempelreiniging en de confrontatie met de Joodse tempelelites onvermijdelijk resulteerde in het arrest van Jezus en de uiteindelijke kruisiging. Ik herinner mij de stellingname van een mij bevriende Koreaanse promovendus op de VU, die tijdens de verdediging van zijn proefschrift de visie bevestigde dat juist die laatste confrontatie in de tempel voor Jezus ‘cruciale’ gevolgen had. Na zijn promotie is Hyeon Woo Shin teruggegaan naar Korea. Tijdens één van onze laatste ontmoetingen vertelde hij me dat hij inmiddels een jaar lang les had gegeven over het Markusevangelie. Uitsluitend vanuit de Griekse grondtekst. We zaten toen in de trein en terwijl hij naar buiten keek, zei hij iets in de trant van dat de werkelijkheid om ons heen hem minder deed dan de realiteit en leefomgeving uit de tijd van Jezus, zoals hij die ervoer na een jaarlang intensieve studie lesgeven over het Markusevangelie. Deze erudiete VU-promovendus geloofde onvoorwaardelijk in het missionaire plan van God, het messiaanse doel van Jezus’ leven op aarde en in Zijn plaatsvervangend sterven aan het kruis, evenals in de Goddelijke identiteit van de historische Jezus van het Nieuwe Testament.

3. Het taalregister van Jezus
Als laatste punt in deze posting wil ik wijzen op de vele verwijzingen in de evangeliën naar het Oude Testament. Wie kent niet de bekende en vervulde profetieën met betrekking tot de geboorte van Jezus. In verband met Zijn eigen identiteit, roeping en missie verwijst Jezus met name naar Mozes en diens profetich spreken over de komende messias. Een belangrijk gegeven is zeker ook het specifieke taalgebruik van Jezus in de vele ‘Ik ben’ teksten. In deze uitspraken associeert Jezus zich met de God van Israël, zoals JHWH zichzelf openbaarde in het Oude Testament. Jezus verkondigde: ‘Ik ben het licht der wereld’; ‘Ik ben de weg, de waarheid en het leven’, en: ‘Ik ben de herder van de schapen’. Uit handschriftonderzoek zou blijken dat die laatste tekst niet moet luiden: ‘Ik ben de deur van de schapen’ (wel zo in veel bijbelvertalingen vermeld). Zie het artikel van Pieter Lalleman in Ellips (januari 2009): Beroemd bijbelhandschrift P75 verhuist (pagina 7-10).

Ik ben aan het begin van deze posting begonnen met de boodschap van Johannes de Doper: Jezus zal dopen met de Heilige Geest. Zo stelt Johannes Jezus aan ons voor, zijnde gelijk aan Jahweh, de God van Mozes in de woestijn. Bovenstaande titel Waardoor is Jezus zo anders? heb ik overgenomen van het eerste hoofdstuk uit het boekje: Meer dan timmerman. Jezus was niet zomaar een oudtestamentische profeet of nieuwtestamentische leraar (rabbi), nee, Hij presenteerde zichzelf overduidelijk als de Zoon van God en de beloofde Messias van het volk Israël.

Voor een goede samenvatting van de betekenis van de namen van Jezus verwijs ik tot slot naar een kort artikel op internet van Rob van de Weghe, een van de meelezers van dit blog. Klik hier voor de link. Rob van de Weghe schreef het boek: Gefundeerd geloof (Medema, 2008). In volgende postings van deze serie zal ik – en dat met toestemming van de auteur- vaker verwijzen naar dit prachtige studieboek.

Dit is het vervolg van: Is geloven in Jezus wel spannend genoeg?

novapresimage
“If Jesus Christ be God and died for me, then no sacrifice can be too great for me to make for Him.” Cricketer and Missionary C.T. Studd (1860-1931).

C.T. Studd wrote: “Some wish to live within the sound – Of Church or Chapel Bell. – I want to run a rescue shop – Within a yard of Hell.” (Quotations from his letters compiled by Jean Walker)

Vóór de publicatie van de Introductie (van deze serie) liet ik deze eerst aan mijn tienerdochter lezen. Ik was benieuwd naar haar mening en zeer verbaasd toen zij reageerde met de opmerking: “Weet je pa, het is wel aardig wat je schrijft, maar ik vind het niet zo spannend. Kun je niet zoiets schrijven als, stel je nou eens voor dat Jezus bijvoorbeeld niet de Zoon van God was…”

Tja, daar sta je dan met je goede gedrag. Stel je eens voor dat… De onzekerheid is dan onbegrensd en de zeeën van twijfel oneindig hoog en diep.

Hero and example
Mijn dochters opmerking deed me denken aan zendingsorganisatie WEC International. Stichter C.T. Studd zijn levensmotto was: “If Jesus Christ be God and died for me, no sacrifice can be too great for me to make for Him.’ Waarom toch dat ‘if’? Was de grootste zendeling van de vorige eeuw misschien niet helemaal zeker van zijn zaak? Even Googlen en de vijf ‘founding principles’ van zijn levenswerk verschenen op mijn beeldscherm:

1. Absolute faith in the deity of each person of the Trinity.
2. Absolute belief in the full inspiration of the Old and New Testament Scriptures.
3. Total commitment to know and to preach none other than Jesus Christ and Him crucified.
4. Obedience to Christ’s command to love all who love the Lord Jesus sincerely, without partiality, and to love all people.
5. Absolute faith in the will, power and providence of God to meet our every need in His service.

Nee, het ging C.T. Studd zeker niet om enig ‘if’, indien of als, maar juist om het woordje ‘sacrifice’. De goede man twijfelde uitsluitend aan de kwaliteit van zijn eigen inzet als zendeling en of hij wel bereid genoeg was om echte offers te brengen voor de levende Christus. Ter illustratie, hieronder één van zijn bekend geworden gedachten.

“I am getting desperately afraid of going to heaven for I have had the vision of the shame I shall suffer as I get my first glimpse of the Lord Jesus; His majesty, power and marvellous love for me, who treated Him so meanly and shabbily on earth, and acted as though I did Him a favour in serving Him! No wonder God shall have to wipe away the tears off all faces, for we shall be broken-hearted when we see the depth of His love and the shallowness of ours.”

Toen ik op mijn 18e een half jaar als ‘language student’ op WEC-Bulstode verbleef, verscheen juist het boekje Fool & Fanatic? Een bonte verzameling citaten uit de persoonlijke correspondentie van C.T. Studd. Vijf dagen per week hadden wij ’s ochtends een ‘prayer meeting’ of ‘devotional’, in de kleine kapel van landhuis Bulstrode. Menigmaal werd de geliefde grondlegger met passie herdacht, bewierookt bijna en veelvuldig geciteerd. En spannend was het daar zeker. Een portrettengalerij van vermoorde zendelingen, direct gevolg van hun zendingswerk, sierde de wanden van de eenvoudige kapel. Nee, daar maakte je zeker geen grapjes over!

Wat is er zo spannend?
Menigeen zal bij bijbellezen niet direct denken aan het woordje spannend. Toch is er weinig spannender dan diep na te denken over het evangelie en het ervaren van de consequenties daarvan in je eigen leven. Niet-gelovigen mogen misschien denken dat het leven van een christen alleen maar vol verboden is, maar als je Jezus (door een geloofservaring) leert kennen, gaat er een andere wereld voor je open. Maar wat is dan die ‘sacrifice’ zul je zeggen? Wel, tegenwoordig heeft het er alles mee te maken dat je keuze voor Jezus je door de wereld (lees: de niet-gelovigen om je heen) niet in dank wordt afgenomen. Voor zendeling Studd betekende het echter veel meer: ver van huis tal van ontberingen lijden en zich ongewone opofferingen getroosten. Maar ja, hij was dan ook een beetje gek natuurlijk, of gewoon fanatiek…

Helaas kan ‘iets spannends’ ook in negatieve zin betekenis krijgen. Een jaar of wat geleden kocht ik voor mijn tienerdochter af en toe een exemplaar van jongerenmagazine HebbeZ!, een ‘christelijk’ alternatief voor tienerbladen als Hitkrant en Breakout. De ‘founder’ van dit blad was de zoon van de bekende Nederlandse evangelist Ben Hanegraaff. Het overkwam zoon Robert dat hij plotsklaps (2007) de Bijbel met andere ogen ging lezen. Om een lang verhaal kort te maken, niet alleen het blad HebbeZ! ging daardoor ter ziele, maar ook Robert zelf raakte het geloofspoor bijster. Hij vertelde hier openlijk over in zijn magazine en hoewel hij op zijn weblog vermeldt het geloof te hebben behouden, schrijft hij het volgende: “Want als dit waar zou zijn, dan had ik de afgelopen 30 jaar van mijn leven gebaseerd op een interpretatie van de waarheid en niet meer dan dat.”

Hoe lezen wij de bijbel?
Nu kan ik hier niet verder ingaan op de zieleroerselen van Robert Hanegraaff , maar ik weet dat hij uit een sterke pinkster geloofstraditie komt (zijn vader heb ik vaak horen preken), waar men liever niet veel anders naast de Bijbel las. En dan bedoel ik te zeggen enige serieuze lectuur of theologische boeken. Ga je dat pas op latere leeftijd doen, dan mis je de ervaring hoe e.e.a. te kunnen lezen en te relativeren. Ook heb je dan waarschijnlijk geen goede ‘sparring partners’ in je solo zoektocht. In Nederland zijn de boeken van ‘ex-evangelical’ Bart D. Ehrman, enorm bekend geworden. Voor Robert Hanegraaff was deze vrijzinnige theoloog blijkbaar een brug te ver. Robert was er, populair gezegd, van Van de kaart. Mijn verzuchting daarbij is: jammer dat niet iedereen het informatieve blog van Mark D. Roberts kent. Deze M. Roberts heeft tal van sublieme artikelen geschreven over de betrouwbaarheid van de Bijbel, die echt heel erg goed zijn, mooi geïllustreerd en spannend bovendien! Aanbevolen dus. Zie eventueel ook mijn blog: Hoe lezen wij de bijbel?

In de Wetenschapsbijlage van het NRC van zaterdag 26 september j.l., staat een mini-recensie van het nieuwste boek van Barth Ehrman: Jesus, Interrupted. Recensent H. Spiering schrijft: “De belangrijkste (=kwestie) is waarschijnlijk dat de ‘Jezus=God’ -boodschap uit het Johannesevangelie totaal is gaan domineren in de lezing van de andere evangelies. Maar in Markus, Lukas en Mattheüs staat toch echt wat anders. In Markus, het oudste evangelie, predikt Jezus bijvoorbeeld vooral boetedoening, want het einde der tijden nadert. In Johannes, het laatst geschreven evangelie, preekt Jezus vooral geloof in zichzelf.” Als dit blog er ook maar enigszins aan kan bijdragen om suggestieve dwalingen zoals Ehrman die verkondigt, te helpen weerspreken, dan zou me dat heel wat waard zijn. Er is overigens veel kritiek mogelijk op de zienswijze en methodiek van Ehrman. Daarover zul je in een NRC-mini-recensie natuurlijk niets vernemen. Zo merkte iemand op dat deze bekende nieuwtestamenticus geen enkel commentaar heeft geschreven van enig bijbelboek uit het Nieuwe Testament. Dat geeft inderdaad te denken. Bart D. Ehrman is beslist geen kleine jongen onder theologen, maar een bepaalde (irriterende) eenzijdigheid dringt zich op den duur toch aan de kritische lezer op.

Dit is het vervolg van: Introductie: Was Jezus altijd zo indirect?

Banias----river-flows-from-We lezen Markus 8: 27-30
De grot op de foto werd in de oudheid beschouwd als de geboorteplaats van de Griekse god Pan. Pan werd vaak met een fluit afgebeeld en in de Middeleeuwen stond hij model voor de duivel (wikipedia).
“Pan was de god van de natuur, van de velden, de bossen, bergen, kudden en herders.”

In de Elisabethbode (6-2007) legt Ds. J. Tanghé een verband tussen de vraag van Jezus in het Marcus evangelie en deze prachtige locatie in het waterrijke gebied van Caesarea Filippi (bron van de Jordaan) in noordelijk Israël. Filippus, de zoon van Herodes de Grote, bouwde de stad Caesarea Filippi, waar tal van heidense godheden werden vereerd. De oorspronkelijke naam was Panias of Banias (de Arabische variant). Herodes had in de rotswand bij de grot van Pan al een grote tempel laten bouwen. En van oudsher tierde de Baäl godsdienst in de deze regio welig (Baäl Hermon in het O.T.). Het is dus heel goed mogelijk dat Jezus juist daarom in deze omgeving, vol van afgoderij en religieuze dwaling, die cruciale vraag over Zijn identiteit aan zijn discipelen stelde .

Ik kan me voorstellen dat de weergave van deze feiten in relatie tot ‘onze’ onderzoeksvraag uit Markus 8, enigszins verwarrend overkomt. Immers, de evangelietekst zelf biedt weinig of geen aanknopingspunten voor dit verband. We moeten er dan ook niet meer van maken dan nodig is. De heftige interacties die ontstaan tussen Jezus en zijn toehoorders bieden voldoende ruimte om de vraag van Jezus over zijn identiteit hoofdzakelijk te bestuderen in de context van Zijn openbaar optreden in relatie tot de godsdienstige overtuigingen van Zijn joodse toehoorders.

Waarom deze vragen?
Sceptici beweren dat Jezus er helemaal niet op uit was om zichzelf als Messias of als Zoon van God te presenteren. Kunnen wij in antwoord daarop niet eenvoudigweg een uitspraak van Jezus nemen en vervolgens concluderen dat Jezus wel degelijk verkondigde dat Hij de Zoon van God en dus de Messias was? Dat gaan we natuurlijk proberen, maar daar moeten we wel even ons best voor doen. Om met de woorden van Dr. J. Verkuyl te spreken; we hebben het dan over het indirecte en directe zelfgetuigenis van Jezus. In zijn boek Zijn alle godsdiensten gelijk?, bespreekt professor Verkuyl een aantal voorbeelden uit de evangeliën, waaruit blijkt dat Jezus zichzelf niet slechts als een profeet beschouwde of een ‘gewone’ joodse rabbi, maar zondermeer als de Messias die door God de Vader gezonden was en waarvan Mozes al getuigde.

Een scherpe afbakening
Om ons thema goed uit te leggen en af te bakenen, geef ik twee citaten. Het eerste komt uit het boek van Dr. J.Verkuyl. Het tweede citaat is uit de Engelstalige editie van de studie van Jacob van Bruggen: Het evangelie van Gods zoon: Persoon en leer van Jezus volgens de evangeliën. Het vereist nu eenmaal enige inzet om het Nieuwe Testament zo te lezen, dat de oorspronkelijke betekenis en boodschap helder wordt. Dit is niet de plaats om een verhandeling te houden over hoe wij de bijbel moeten lezen, maar met onderstaande citaten hoop ik in ieder geval duidelijk te maken waar het mij primair om te doen is.

Verkuyl (hoofdstuk V): “Terecht is er op talloze manieren op gewezen, dat Jezus het diepste geheim van Zijn Persoon en werk gedurende Zijn aardse levensloop verhulde en in vele opzichten verborg, omdat de onthulling ervan tot vele misverstanden kon leiden. De messiaanse verwachtingen in Israël over de komst van een aardse Messias, van de ‘profeet van de eindtijd’ of van de ‘hemelse mens’ waren zo geladen en zo gevuld met totaal andere inhoud dan Jezus voor Zich zag, dat het gebruik van de namen en titels van deze verwachtingen slechts tot verschrikkelijke misverstanden kon leiden en voor hem zelfs tot duivelse verzoekingen konden worden om af te wijken van de weg, die Hij voor Zich zag.
Het diepe verhaal van de verzoekingen in de woestijn (Mattheüs 4:1-11) registreert die gevaren op onvergetelijke wijze.
Maar dat betekent niet, dat Jezus niet een unieke plaats innam tussen God en de mensen. En dat betekent ook niet, dat Jezus geen indirecte en ook later (vooral in het Johannes-Evangelie) directe aanwijzingen gaf omtrent de plaats en functie, die Hij in opdracht van de Vader moest en mocht vervullen onder ons.

Van Bruggen (§ 5.3.6 The Messiah Hides Nothing – page. 140): Under Wrede’s influence, twentieth-century Christology has often assumed a certain secrecy on Jesus’ part regarding his messiahship during his earthly stay. Wrede himself saw this climate of secrecy as a Markan attempt to cover up the fact that Jesus never regarded himself as “Messiah.” He believed that Jesus’ disciples began to worship him as such only later, in retrospect. Other scholars toned down this critical view of Mark by claiming that Jesus hid his messiahship, revealing it to all after Easter. This concealment of his majesty then was related to his humiliation. [note 57: H.N. Ridderbos, Zelfopenbaring en zelfverberging: Het historisch karakter van Jezus’ messiaanse zelfopenbaring volgens de synoptische evangeliën (Kampen: Kok, 1946).]
These theories do not fit the reality presented in the Gospels, however. Jesus did not entrust everyone with the proclamation of his title, but he never made any attempt to conceal the fact that he was the Messiah. [note 58: Compare P.H.R. van Houwelingen, “De strekking van het evangelie naar Marcus,” in Verkenningen in de evangeliën, Theologische Verkenningen, Serie Bijbel en Exegese 5, ed. G. van den brink et al. (Kampen: Kok Voorhoeve, 1990), 16-24.]

Wat gaan we allemaal doen?
In volgende edities van deze thema-studie laat ik een aantal bekende auteurs aan het woord, om enkele van die zelfgetuigenissen van Jezus uit de evangeliën onder de loep te nemen. Naast genoemd boek van professor Verkuyl wil ik ondermeer het essay bespreken van Riemer Roukema ‘Jezus als Heer in de evangeliën van Marcus en Johannes’, in de bundel Over God (uitgeverij Meinema, 2007). Er zijn natuurlijk onnoemlijk veel christenauteurs die over het onderwerp van de identiteit van Jezus geschreven hebben. Ik noem hier nog de bekende christenhistoricus en apologeet Josh McDowell en de Nederlandse VU-theoloog Dr. A. van de Beek. Voor deze studie zal ik me (om praktische redenen) tot genoemde vijf auteurs zien te beperken.

Nog een aantal sub-thema’s:
(1) Misschien ga ik de dwaling(en) van de Jehova Getuigen bespreken, over de identiteit van Jezus Christus.

(2) Mogelijk wil ik de islamitische claim weerleggen dat christenen hun eigen Bijbel niet eens goed zouden lezen.

(3) Ik wil in ieder geval een diepe duik nemen in de Oosters-filosofische visie op Jezus, zoals vertolkt in het (esoterische) boek De derde Jezus van welzijnsgoeroe Deepak Chopra.

Het kan dus nog ‘heel erg spannend’ gaan worden hier, maar komende maanden wil ik eerst eens flink gaan studeren in de evangeliën.

Tot slot een fragment uit een dagboekoverdenking van J.C. Ryle, naar aanleiding van Markus 14:61-62.

Ryle: “Hoe duidelijk onze Heere beleed dat Hij de Messias was en in heerlijkheid zou terugkomen.
De bovenstaande woorden van onze Heere (zie Markus) moeten wij goed onthouden. De Joden konden na deze woorden niet zeggen dan hun niet duidelijk was verteld dat Jezus van Nazareth de Messias was. Voor hun hoge raad, die bestond uit overpriesters, oudsten en schriftgeleerden, verklaarde Hij ‘ik ben het’, in antwoord op de vraag of Hij de Christus was. De Joden konden hierna nooit meer zeggen, dat Hij van zo geringe afkomst en zo arm was, dat Hij het niet waard was geloofd te worden. Hij waarschuwde hen duidelijk dat pas wanneer Hij terugkwam, Zijn heerlijkheid en grootheid zichtbaar zou worden. Dan zouden zij Hem in koninklijke macht en majesteit zien zitten ‘ter rechterhand der kracht Gods’, komende met de wolken des hemels als Rechter, Overwinnaar en Koning. Als Israël ongelovig was, kwam dat niet doordat niet duidelijk was gemaakt wat ze moesten geloven.”

Uit: Een jaar lezen in de evangeliën – Thematisch dagboek samengesteld uit het werk van J.C. Ryle, 2005 uitgeverij Groen.)

Dit is het vervolg van: Maar gij, wie zegt gij, dat Ik ben?

Ontmoeting in Hoofddorp

100_9267 Gister was ik in Hoofddorp, …een inspirerende Meet&greeT van bevlogen bloggers en twitteraars. Voor een sprekende foto-impressie zie blog Vrijspraak van Paul Abspoel. Van mijn vele positieve indrukken geef ik er één.

Reeds bij binnenkomst in de karakteristieke boekwinkel trof mij de vervlechting tussen katholiek en protestants geloven. Sfeer, boekenselectie, de aanwezige mensen, alles viel op z’n plek. Mijn jeugd werd gekenmerkt door de beroemde slagerszin: “twee geloven op één kussen, daar slaapt de duivel tussen”. In een evangelische blogosphere context, geïnitieerd door Baptisten, met een echte pinksterhagepreek, binnen het verband van de katholieke moederkerk, ervoer ik als post-gereformeerde protestant dat ik er mocht zijn. Een verademing.

Zie eventueel ook mijn reactie bij blog van Jeroen. Klik hier.
En hier voor een kort verslag van blogdichter Rob Haster.

Bedankt Paul en alle anderen voor deze inspirerende ontmoeting.
————————————–
Paul Abspoel op Twitter: “Gomes (Abraham & Izaak): ‘n buitengewoon gecompliceerd en akelig verhaal. Theologisch dik voor elkaar, maar menselijk gezien enorm moeilijk… Karel Gomes heeft in beeld van Abraham en Izaak “het onmogelijke van zo’n eis willen verbeelden” Doel: troost bieden.”

Ons bezoek aan de beeldentuin in Hoofddorp op Youtube:
- Karel Gomes vertelt over beeld van Abraham en Izaak.

- Pastoor Kees van Lent geeft uitleg over het beeld van Eva.

- Lied: Amazing Grace van Gendro.

Twitter again: “Gendro zong Amazing Grace 2x, omdat dame van ‘t camerateam even weg was. Let op de kus van Gomes aan ‘t eind.”

Tot slot de hagepreek van Ronald van der Molen op YouTube:
Deel 1.
Deel 2.

WWTRYSCAR97HJHCACYLH0JCARO7IXACAYQGXBXCAAPN1FQCAJYYKCTCA1Y1Z49CA63GP0CCAXQFKEICATJX0IUCAT3U7EJCA2Z6NXQCAWWVC88CA68NP8CCASZTA04CAJJIF6PCAR0G5A0CAFQN535CAULLV0ZDe titel van dit stukje is misschien geen alledaagse vraag, maar voor gelovigen wel een zeer bekende. De context: Jezus in gesprek met zijn discipelen over de identiteit van de Zoon des mensen. Al snel gaat het erom, dat Jezus Zijn discipel Petrus op indringende wijze bovenstaande vraag stelt. We vinden het gesprek ondermeer terug in Mattheüs 16:13-20.

Deze belangrijke vraag wordt ook aan ons gesteld. Nee, niet dagelijks of zó direct, maar wel regelmatig in prediking en in ons hart. De laatste keer dat ik een PKN-dienst bezocht, stond deze vraag centraal in een intrigerende preek. Na een vloeiende parafrase, doch dubieuze exegese, luidde de conclusie van de dominee dat wij allemaal zonen Gods genoemd mogen worden. Wat mij betreft een verkeerde conclusie, maar tjonge zeg, wat was die preek mooi van toon en knap geconstrueerd. Op de vertrouwde klanken der kerkelijke traditie werden de toehoorders geruisloos op een post-modern zijspoor (uit)gerangeerd.

Artikelen in deze blog-categorie vormen een ontdekkingsreis naar het Bijbels spreken -en het getuigenis der kerk- over de identiteit van Jezus als zijnde de Christus, de Zoon van de levende God! Ik zal proberen via aansprekende invalshoeken uitleg te geven.

Gaandeweg zal ik ook een aantal alternatieve gezichtspunten bespreken. De godheid van Christus zal voor gelovigen misschien niet zo gauw een breekpunt in het geloofsleven zijn, maar de post-moderne ondermijning ervan lijkt aan kracht te winnen. Dit essentiële aspect van het Christelijk geloof is voor niet-gelovigen een speerpunt van kritiek. Dit wellicht omdat het hier gaat om het summum van exclusiviteit, waarvan binnen geen enkele andere geloofstraditie een parallel te vinden is. Het Christelijke credo dat de Schepper van hemel en aarde zich in Jezus Christus heeft geopenbaard is in de ruimste zin van het woord ‘te gek’ voor woorden. Jazeker, het is gewoon fantastisch!

Dit is geen theologisch blog. Voor diepgaande verhandelingen over mijn onderwerp verwijs ik graag naar diverse literatuur. Ook streef ik niet naar interpretaties of gezichtspunten die haaks zouden staan op het belijdenis van de kerk der eeuwen. Het gaat mij erom dat wij (opnieuw) scherp gaan zien wat de Bijbel leert en dat dit ook een levend onderdeel zal kunnen zijn van ons geloof. Bewijzen dat Jezus de Zoon van God is, kan en mag in die zin, dat we onweerlegbaar kunnen aantonen dat dit inderdaad is wat de Bijbel ons leert.

Tot besluit een kleine parabel. Dagelijks forens ik in sneltreinvaart over een enorme spoorbrug. ’s Winters is het daar dan altijd aardedonker. Onlangs reed de trein in ’slow motion’ over de brug. In plaats van het vertrouwde ritme en gedender over staal, was er een verwarrend ‘rumbling noise’. De nu zichtbaar geworden immense constructie van de ‘bridge over troubled water’ vormde het uitzicht met ‘an impressive view of industrial design’. Waar was ik? En zat ik wel in de goede trein, flitste het door mij heen. Gelukkig, dezelfde reis en de juiste trein, maar met een geheel ander perspectief en een nieuwe reisbeleving.

Dit is een korte inleiding op een hele serie artikelen ‘yet to come’.

Bijna Dood Ervaring (BDE)

Het indrukwekkende relaas over bijna-doodervaringen. In het slothoofdstuk presenteert de auteur opvallende resultaten van zijn onderzoek naar bijna-doodervaringen. Hij trekt belangrijke conclusies die duidelijk afwijken van gangbare opvattingen in Nederland.

Het indrukwekkende relaas over bijna-doodervaringen. In het slothoofdstuk presenteert de auteur opvallende resultaten van zijn onderzoek naar bijna-doodervaringen. Hij trekt belangrijke conclusies die duidelijk afwijken van gangbare opvattingen in Nederland.

Ik wil een serie artikelen schrijven over het fenomeen ‘bijna-dood ervaring’ (BDE).

Wat denkt u ervan: de BDE, een bewijs voor leven ná de dood en waar of niet waar?
Wat mij betreft is er geen twijfel meer over mogelijk. Helemaal waar dus.

Wat mij in de berichtgeving over bijna-dood ervaringen opvalt, is dat ondanks de ruime media-aandacht voor de bijna-dood ervaring na de publicatie van Eindeloos bewustzijn (2007), van onderzoeker en voormalig cardioloog Pim van Lommel, de discussie lijkt te blijven steken op het punt van het al dan niet wetenschappelijke gehalte van Van Lommels verklaringen en weinig of niet ingaat op reële vragen als: is er leven na de dood en bestaat er een onsterfelijke ziel? En dat schiet wat mij betreft helemaal niet op.

Daar komt bij, hoe volledig zijn de BDE-verslagen eigenlijk? Niet alle ervaringen zijn namelijk positief. Uit onderzoek blijkt (bron: internet…) dat minstens 15% van de onderzochte bijna-dood ervaringen ronduit negatief is. Ervaringen variërend van duisternis met sinistere entiteiten tot vreemde middeleeuws aandoende visioenen (Dante) aan toe. Ook Van Lommel gaat hier (heel) kort op in, zowel in zijn boek als in het interview met Andries Knevel in Het Elfde Uur.

Kortom, genoeg vragen blijven er over én we zijn gewaarschuwd…, wie in de wereld van de bijna-dood ervaring stapt, met name door op internet te gaan zoeken, moet goed weten waar hij aan begint.

Mijn eerste kennismaking met dit onderwerp kwam door het lezen van What Really Happens When We Die?, een hoofdstuk in het boek GOD WANTS YOU RICH and other enticing doctrines van Florence Bulle. Een kritische introduktie op het onderwerp. In een volgende posting wil ik er een samenvatting van geven.

In de afgelopen jaren heb ik het nodige over BDE’s gelezen en er enkele TV-documentaires (RTL4 en EO) over gezien. Een sceptisch en afwijzend artikel in het AMC-magazine van professor Dr. Dick Swaab, een atheïstische hersenspecialist, kan ik mij nog herinneren. Wat mij opvalt bij hem en andere wetenschappers, is dat ze het unieke van de ervaring als zodanig lijken te willen bagatelliseren. Ook de enorme en veelal blijvende impact die de ervaring op de persoon zelf heeft, is iets waar nauwelijks concreet op wordt ingegaan.

Een kort citaat, ergens van internet geplukt:

Hersenen en ‘uittreding’
Hoe ontwikkelen de hersenen van een mens zich, hoe ons gevoel man of vrouw te zijn? Prof. D.F. Swaab van het Nederlands Instituut voor Hersenonderzoek geeft aan hoe verstoring van de normale hersenontwikkeling kan leiden tot schizofrenie en depressie. Hij geeft een neurobiologische verklaring voor bijna-dood-ervaringen als ‘uittreding’ en gaat in op de cognitieve aftakeling bij de ziekte van Alzheimer en onderzoek naar therapeutische strategieën om dit proces te stoppen.

Ik zie iemand die een BDE heeft gehad als een belangrijke ‘first hand witness’, die we heel serieus moeten nemen. Het zijn niet zomaar mensen met een interessant verhaal. Nee, meestal staat men na de ervaring totaal anders in het leven: bewuster, holistischer en minder materialistisch. Dergelijke veranderingen kun je niet simpelweg toeschrijven aan zuurstofgebrek van de hersenen of aan een medische aandoening.

Zuurstofgebrek zou ertoe kunnen leiden dat het brein plaatselijk overactief wordt doordat de prikkeloverdracht tussen de hersencellen onvoldoende wordt geremd. Wanneer zo’n ruisachtige storing in de visuele hersenschors optreedt, zal men in het centrum van het gezichtsveld een helder licht zien, omdat de meeste cellen met dit gebied corresponderen. Het licht wordt geleidelijk groter naarmate de hoeveelheid storing toeneemt en schept de illusie dat men de uitgang van een tunnel nadert. Omdat het licht niet eerst wordt opgevangen door de ogen, maar de schors dus rechtstreeks gestimuleerd wordt, is het licht buitengewoon helder zonder dat het pijn doet aan de ogen.

De neurobiologische verklaring die professor Swaab geeft, zal ik vast niet helemaal begrepen hebben, maar toen ik zijn artikel in het AMC-magazine las, was ik bepaald niet overtuigd. Al was het alleen maar omdat er geen vergelijkbare situatie is waaronder iemand een dergelijke lichtervaring heeft. Drugs- of medicijngebruik en/of bekende hersenbeschadigingen leiden namelijk niet tot vergelijkbare ervaringen. Zijn verklaring lijkt derhalve veeleer speculatief dan aantoonbaar vastgesteld. Overigens kunnen geestverruimende middelen je wel allerlei bewustzijnservaringen geven, die je als het ware in een andere dimensie brengen, maar dat zijn niet per se overlijdenservaringen. In het laatste hoofdsuk van zijn boek Death of a Guru, gaat ervaringsdeskundige en ex-Hindoe Rabi Maharaj uitgebreid op dit onderwerp in.

Ook in christelijke kring is er inmiddels een groeiende belangstelling voor het verschijnsel van de BDE. Onlangs (2009) verscheen de Nederlandse vertaling van het boek (1998) van Michael Sabon: In het licht van de dood. Subtitel: Het indrukwekkende relaas over bijna-doodervaringen (Uitgeverij Barnabas Heerenveen). De auteur “maakt onderzoeksresultaten toegankelijk voor een breed publiek en beschrijft diverse case-studies uit eigen praktijk.” Michael Sabon is cardioloog en al meer dan twintig jaar een autoriteit op het gebied van bijna-dood ervaringen.

In het Nederlands Dagblad schreef Ds. Tim Vreugdenhil (Amstelveen) onlangs een interessant artikel. U kunt het binnenkort lezen op www.apologia.nl/ (moet de link nog plaatsen). Hieronder volsta ik met een interessante reactie op het artikel; een ingezonden brief uit de krant (ND) van 5 mei 2009.

Bijna dood
Het artikel van Tim Vreugdenhil in de krant van 10 april nodigt uit tot dieper nadenken over de betekenis van een bijna-doodervaring. Het merendeel van deze ervaringen is hemels, slechts weinigen hebben een ervaring van de hel, dat wil zeggen de godverlatenheid, al zullen vele van deze negatieve ervaringen wel uit het geheugen worden verdrongen. De meesten hebben lichtervaringen. Nu zegt dat niet veel; satan kan zich voordoen als een engel van licht.
Sommigen met een christelijke opvoeding roepen naar Jezus en er verschijnt een licht in de tunnel. Immers Gods woord zegt: een ieder die de naam des Heeren aanroept, zal behouden worden. Behalve licht ervaren de meeste mensen een allesomvattende liefde. Dat kan alleen maar het licht Gods bewerken, want satan gaat tegen zijn natuur in als hij liefde zou uitstralen. Maar zijn deze mensen ook behouden? Uit hun later leven blijkt wel dat ze veranderd zijn, namelijk minder egoïstisch en ook betonen ze meer liefde tot de naaste. Jezus zegt zelf dat velen (bij het gericht over de volken) verbaasd zullen zijn als ze horen dat ze Hem hebben gediend. Ze zullen roepen: Heer, wanneer hebben we U hongerig gezien? Het antwoord luidt: Ik verzeker jullie, alles wat jullie gedaan hebben voor een van onaanzienlijkste van mijn broeders of zusters, dat hebben jullie voor Mij gedaan. Jullie nemen deel aan het koninkrijk dat al sinds de grondvesting van de wereld voor jullie bestemd is.
T.R. Tjerkstra, Amsterdam

Aan de hand van de reactie van Tjerkstra zijn ongetwijfeld een aantal vraagstellingen te formuleren voor verdere studie. In een volgende posting zal ik daar graag op ingaan.

Binnen de reguliere theologie komt mondjesmaat meer belangstelling voor het fenomeen BDE. Het volgende citaat uit het boek Reiken naar God wil ik de lezer niet onthouden. Kort gezegd gaat dit boek over de aard van onze kennis over God. Een belangwekkend onderwerp, belicht door C. Sanders, emeritus hoogleraar psychologie en wijsbegeerte aan de VU te Amsterdam. Op pag. 122 staat een voetnoot (nr. 41), als toelichting op de hoofdtekst: “Kortom die mens ziet van verre de werkelijkheid van opstanding en eeuwig leven.” (pag. 109), met een verkennende visie op bijna-dood-ervaringen.

(noot 41) “Paulus verhaalt met ontzag van een mens in Christus die opgetrokken geweest is in het paradijs en daar woorden gehoord heeft ‘die geen mens kan of mag uitspeken’ (2 (Kor. 12:14). Het is verleidelijk en wellicht veel te speculatief een verband te vermoeden met ‘bijna-dood-ervaringen’ van sommige mensen die op de grens van dood en leven hebben verkeerd. Zij waren op dat moment reeds onthecht aan dit leven, zodat alle ikzucht verdwenen was en zij bevrijd waren van zichzelf. Wat deze mensen ervoeren maakte een zeer diepe indruk op hen, een indruk die het verdere van hun leven vaak ingrijpend veranderde. Het zijn ten diepste niet te beschrijven ervaringen die voorkomen bij jong en oud en bij mensen uit heel verschillende milieus en culturen. Wat er over meegedeeld wordt, wettigt de conclusie dat die ervaringen een bepaalde gelijkenis vertonen. Ook zijn ze duidelijk te onderscheiden van dromen en hallucinaties, onder meer door de grote helderheid en bewustheid ervan, een sterke realiteits- en evidentiebeleving en een blijvende, gedetailleerde herinnering eraan. Gezien het karakter van deze ervaringen kan voorzichtig de vraag gesteld worden of hier geen sprake is van een voorbeeld van schouwen zoals in de tekst bedoeld. De bijna-dood-ervaringen roepen veel vragen op die niet slechts theologisch van aard zijn, maar ook natuurwetenschappelijk serieus genomen worden, gezien de onderzoekspublicatie in het gezaghebbende medische tijdschrift The Lancet, 358 (2001).”
Uit: Reiken naar God – auteur: Dr. C. Sanders – Uitgave KOK, 2004.

Hopelijk voelen lezers van dit blog zich geïnspireerd om hun visie of mogelijk zelfs de eigen bijna-dood ervaring met mij te willen delen. Ik nodig u daartoe van harte uit. Gewoon doen!
Ik heb geprobeerd het onderwerp enigszins neutraal te bespreken. Mocht ik in de (nabije) toekomst zelf eventueel een BDE meemaken, dan kunt u van mij wellicht het nodige vuurwerk verwachten :-)

Een gesprek over rustpauzes, spontaniteit en - voorzichtig! - een lapje grond aan de ­Middellandse Zee.

Een boeiend gesprek over rustpauzes, spontaniteit en - voorzichtig! - een lapje grond aan de ­Middellandse Zee.

1. Intro
John Stott, de befaamde Britse theoloog, zei over de Bergrede: ‘De Bergrede is waarschijnlijk het bekendste deel van het onderwijs van Jezus, maar waarschijnlijk ook het minst begrepen en zeker het minst gehoorzaamd.’ [John Stott, Message of the Cross, (IVP, 1978), p.15]
Het meest bekend, het minst begrepen, en het minst gehoorzaamd? Dan is dat een mooie reden voor ons om eens goed naar de Bergrede te kijken. Wij zullen vandaag en volgende week bij de Bergrede stilstaan. In twee keer een half uur kan je daar natuurlijk niet veel over zeggen, maar ik hoop u toch een zinvol kijkje te geven in de theologische keuken van onze Heer Jezus Christus en van de evangelist Matteüs.

Die Matteüs, dat was een volgeling van de Heer Jezus; hij heeft Jezus horen spreken, hij heeft zijn wonderen gezien, hij heeft op een persoonlijke en intieme manier meegeleefd met onze Heer, tot aan diens dood, opstanding en hemelvaart. En daarna besloot hij op schrift te zetten wat Jezus zei. De meeste theologen denken dat Matteüs ergens tussen het jaar 60 en 70 zijn evangelie schreef, en hij deed dat waarschijnlijk in Antiochië. De kerkgeschiedenis geeft genoeg aanleiding om dat te vermoeden. Antiochië was een van de grootste steden in het Romeinse Rijk, en het was de plaats waar de kerk al vroeg begon te groeien. Vooral uit de Joodse synagogen in de stad, kwamen veel mensen tot geloof, maar ook veel heidenen voegden zich in die nieuwe gemeenschap rond Jezus Christus. De gemeente daar is onder meer bekend omdat het Paulus had uitgezonden als zendingswerker.

Net als overal in Israel en in het hele Romeinse rijk, waren er grote spanningen tussen degenen die Jezus als Heer en Heiland volgden, en de synagogen waar men niks van hem wilde weten. Je hoeft het boek Handelingen in de Bijbel maar oppervlakkig te lezen en je ziet hoe vanaf het begin van de kerk – die vooral uit Joden bestond – grote spanningen ontstonden over de rol van de wetten van Mozes in het leven van de gelovigen, over zaken als besnijdenis, en ook meer in het algemeen, over hoe de jonge kerk in vredesnaam kon geloven dat onze Heer Jezus de beloofde Messias was. De kleine groep van volgelingen van Jezus werd veel en soms hard vervolgd door de leiders van het Joodse volk; lees het boek Handelingen daar nog maar eens op door. In deze context stelde Matteüs zijn boekje samen – hij maakte een goed overwogen selectie uit de schat van de vele dingen die Jezus zei en deed, zodat de jonge gemeente en hun vervolgers antwoorden kregen op de vragen waar ze mee zaten. Vragen waar wij ook nog wel eens mee te doen hebben – dus ook voor ons is dit actueel.

Matteüs presenteert ons Jezus vooral als de vervulling van alle verwachtingen van Israël uit het Oude Testament, en hij laat ons zien hoe Jezus met de wetten van Mozes omging. Je leert hoe Jezus dacht over de wet, over de spijswetten, de sabbat, interpretaties van de wet, en hoe de Joodse theologen daarmee omgingen. En in de Bergrede staat dat thema van Jezus en de wet ook centraal. Vandaag wil ik vooral naar de zaligsprekingen kijken, het eerste deel van Matteüs 5; volgende week zullen we naar het tweede deel van dat hoofdstuk kijken, met als centrale vraag wat Jezus bedoelt met de tekst: ‘Denk niet dat ik gekomen ben om de Wet of de Profeten af te schaffen. Ik ben niet gekomen om ze af te schaffen, maar om ze tot vervulling te brengen.’ (Mat. 5:17)

2. Jezus als het ware Israël
Voor we naar de zaligsprekingen kijken, wil ik u eerst kort meenemen door de eerste vier hoofdstukken van het evangelie naar Matteüs – want die hebben ons veel te zeggen voor het begrijpen van de zaligsprekingen. Meteen maar naar het allereerste vers van het boekje, Mat. 1:1. Daar staat: Overzicht van de afstamming van Jezus, zoon van David, zoon van Abraham. Zonder omhaal van woorden maakt Matteüs meteen duidelijk dat we in Jezus, te doen hebben met een echte Israëliet. Zoon van Koning David, zoon van aartsvader Abraham. En hij is niet zomaar een nakomeling van David en Abraham, duidelijk is dat Jezus de meest speciale zoon van David en Abraham is. Van Abraham tot David waren 14 geslachten, en van David tot de Babylonische ballingschap ook, en tussen die ballingschap en Jezus waren ook weer 14 geslachten. Na Abraham en David ging Israel in ballingschap, als straf op hun zonden, maar nu was Jezus daar, om alles te herstellen. In Mat 1:21 lezen we dat een engel tegen Jozef, de man van Maria, zegt dat het kind de naam Jezus moet krijgen, want hij is het die zijn volk van hun zonden zal bevrijden. Zijn naam is ook Immanuel, God met ons. Want in hem worden de beloften die de profeten in het Oude Testament deden, vervuld. In Jezus is God bij de mensen gekomen.

We gaan verder naar Mat. 2, waar we zien hoe Jozef en Maria met Jezus naar Egypte moesten vluchten, om niet om te komen. Na afloop daarvan lezen we in Mat 2:15: …en zo ging in vervulling wat bij monde van de profeet [Hosea] door de Heer is gezegd: ‘uit Egypte heb ik mijn zoon geroepen.’ Dat is een interessant citaat uit Hosea. Bij Hosea gaat het eigenlijk helemaal niet over Jezus, maar over Israël. Israel was de zoon van God die uit Egypte werd geroepen. Ziet u de parallel die Matteüs hier voor ons schetst? Net als Israël, ging Jezus naar Egypte om te overleven, maar daarna werd hij, net als Israel, naar het land teruggebracht. Jezus ging naar Egypte om te overleven, maar daarna werd hij, net als Israël, naar het land teruggebracht. Waarom schetst Matteüs deze parallel? Ik denk om te laten zien dat Jezus het ware Israël is. Ik weet het, nieuw misschien om te horen, maar denk er eens rustig over na. Alles wat Israel moest zijn, maar het schoot tekort door haar zonden, dat was Jezus. Omdat hij alles was wat Israël had moeten zijn, kon hij voor God de zonden van het volk vergeven.

We gaan verder – naar Mat. 3. Jezus wordt daar gedoopt in de Jordaan door Johannes de doper. Net zoals Israël door de Jordaan moest om in het beloofde land te komen. Of misschien moeten we eerder aan een symboliek van de doortocht door de Rode Zee denken. Israël werd bevrijd uit het land van slavernij, en Jezus symboliseert dat met zijn eigen doop. Hijzelf had die doop niet nodig – hij was zonder zonden. Maar Matteüs laat ons zien hoe het leven van Jezus de vervulling was, van het bestaan van het volk Israël. En in Mat. 4 doet Matteüs dat opnieuw. Jezus gaat naar de woestijn waar hij 40 dagen wordt verzocht door de duivel. Israël was 40 jaar in de woestijn, en maakte er daar een potje van. Afgoderij, God verzoeken, we kennen de verhalen. Jezus was 40 dagen in de woestijn, en deed wat Israël niet kon. Hij leefde geheel tot eer van God; hij was plaatsvervangend Israël, om voor het volk vergeving te verwerven. Matteüs laat dus zien dat Jezus de vervulling was van al Gods wensen met Israël. De andere evangelisten hebben het hier trouwens ook over – denk aan de utspraak van Jezus: ik ben de ware wijnstok. In het Oude Testament werd Israël de wijnstok genoemd.

Wij die volgelingen van Jezus Christus zijn, zeggen: ja, natuurlijk. Jezus is de verlosser, de plaatsvervanger van Israël, ja van de hele wereld, bij God. Waar Israël – en geen enkel mens – zich gehoorzaam aan alle wetten van God wist te houden, en waar dus Israël en ook wij de straf van God verdienen, stelt God Jezus Christus in onze plaats – tot vergeving van zonden. Matteüs presenteert dit klip en klaar in zijn eerste paar hoofdstukken – Jezus als de volmaakte knecht van God. Maar voor de Joden die Jezus verworpen hadden, was de manier waarop Matteüs Jezus voorstelt, heiligschennis. Hoe kon een individu nou de rol van Israël, van Gods heilige volk, spelen? Jezus gaat vervolgens niet in Jeruzalem zijn domicilie maken – de heilige stad toch? Hij gaat in Capernaum wonen, in Galilea. Als Jezus nou de beloofde Messias zou zijn, dan zou hij toch zeker wel gaan wonen in de hoofdstad van het Jodendom, in Jeruzalem? Van Jeruzalem zal toch de wet uitgaan? Maar God kiest voor Galilea. Jesaja noemde dat honderden jaren eerder al: ‘Galilea der heidenen’, omdat daar zoveel niet-Joden woonden. Veel meer dan in andere delen van Israël woonden daar buitenlanders, immigranten, allochtonen. Het was het Smitsveen van Israël. Galilea was het gebied waar veel Joden hun eigen taal niet eens meer goed spraken, waar je op de markt overal Aramees en Grieks hoorde spreken, waar zelfs de vrome Joden die naar de synagoge gingen, hun eigen Hebreeuwse schrijftaal niet meer goed begrepen. Omdat veel Joden hun eigen taal niet meer snapten, werden door de wetgeleerden allerlei exegetische boekjes geschreven die de Hebreeuwse Bijbelteksten vertaalden en uitlegden in de spreektaal van die tijd, dat was het Aramees. We hebben nog sommige van die boekjes, de Targums.

Jezus sprak ook Aramees – geen Hebreeuws – zodat de mensen hem konden verstaan. Denk maar aan termen als Tabitha, Koemi, of Abba, of Eli Eli Lama Sabachtani. Die woorden zijn ook in onze Bijbels doorgedrongen – termen die geen Hebreeuws zijn maar Aramees. En veel Joden in de tijd van Jezus spraken Grieks als hun moedertaal, en ze konden alleen Grieks lezen en geen Hebreeuws. Ook veel van de Joden die tot geloof kwamen in Jezus spraken beter Grieks dan Aramees. Moeilijk te geloven? Het staat in uw Bijbel… Lees Handelingen 6:1: ‘Toen het aantal leerlingen [in Jeruzalem] toenam, ontstond er op een gegeven moment ontevredenheid bij de Griekstaligen, die de Aramees sprekenden verweten dat de weduwen uit hun groep bij de dagelijkse ondersteuning werden achtergesteld…’ De gemeente van het eerste uur bestond uit Joden die of Grieks, of Aramees spraken, en waarschijnlijk was slechts een minderheid echt in staat Hebreeuws te lezen en te spreken. Gelukkig voor de vele Griekstalige Joden en christenen was in Alexandrië, 200 jaar voor Christus, het hele Oude Testament in het Grieks vertaald. Die vertaling heet de Septuagint en die hebben we nu nog. Ik heb een – recent gedrukt – exemplaar op mijn bureau in Cairo staan. De eerste andere Bijbelvertaling die daarna werd voltooid, was, niet toevallig die in het Aramees.

Vooral in Galilea was sprake van een taalverwarring, omdat daar meer dan in andere delen van het land, niet alleen Joden woonden die verschillende talen spraken, maar ook nog veel niet-Joden. Daar ging Jezus wonen, als vervulling van profetie. ‘Galilea van de heidenen, luister; het volk dat in duisternis leefde, zag een schitterend licht, en zij die woonden in de schaduw van de dood, werden door het licht beschenen’. Daar begon Jezus zijn prediking van de komst van het Koninkrijk, daar riep hij mensen tot bekering, en daar deed hij grote wonderen en tekenen, kunnen we lezen in de rest van Mat. 4. Maakte Jezus door in Galilea met zijn werk te beginnen al vanaf het begin duidelijk dat het evangelie niet alleen voor Israël, maar voor alle mensen was? Je zou het wel denken, en we lezen dan ook in Mat. 4:25: ‘En grote groepen mensen uit Galilea, en Decapolis, uit Jeruzalem en Judea, en uit het gebied aan de overkant van de Jordaan volgde hem.’

3. Jezus als Mozes
En dan komen we aan eindelijk bij Mat. 5:1. ‘Toen Hij [Jezus] de mensenmassa zag, ging hij de berg op. Daar ging hij zitten met zijn leerlingen om zich heen. Hij nam het woord en onderrichtte hen…’
Hoe moeten we ons dit voorstellen? Ik denk dat Jezus ergens ging zitten, en honderden, misschien duizenden mensen zaten zo dichtbij als maar kon, om alles goed te horen. De 12 discipelen zaten op de eerste rang. We moeten zeker niet denken dat Jezus alleen tot zijn 12 discipelen sprak. Immers, in Mat. 7:28 en verder wordt, na afloop van de Bergrede, genoemd dat de mensen onder de indruk waren van zijn onderricht – dus niet alleen de discipelen – en diezelfde massa’s volgden Jezus toen hij de berg weer afdaalde. Hij richtte zich tot alle mensen die hem wilden volgen en die van hem wilden leren. Dat is ook tot ons dus. Jezus spreekt ons hier aan.

Jezus ging de berg op. Voor ons klinken deze woorden als een gewone mededeling – voor de Joden die het Matteüs evangelie hoorden, was meteen duidelijk dat hier iets bijzonders aan de hand was. Waar hadden ze eerder gehoord dat iemand de berg opging? Ja, Mozes natuurlijk. Heel opvallend is dat als je de Griekse tekst van Matteüs vergelijkt met de Septuagint, de Griekse vertaling van het Oude Testament die in de tijd van Jezus veel werd gebruikt, dat Matteüs hier letterlijk citeert uit Exodus 19:3, waar we lezen: Mozes ging de berg op. Zou Matteüs gebruik hebben gemaakt van die Griekse Septuagint bij het schrijven van zijn evangelie? Het lijkt er wel heel sterk op. Matteüs wil Jezus aan ons laten zien als degene die in de voetstappen van Mozes treedt – een nieuwe Mozes dus. Hij ging de berg op en leerde het volk. En als Jezus een nieuwe Mozes is, moeten we natuurlijk zeggen, dan zijn de woorden die Jezus spreekt, de nieuwe verbondswoorden van God.
Paus Benedictus XVI zegt precies dat, in een prachtig boek dat hij over Jezus schreef. Hij zegt over dit gedeelte: ‘De Bergrede is de nieuwe Thora gebracht door Jezus’. [Pope Benedict XVI, Jesus of Nazareth (Doubleday, New York etc., 2007) p.68]

We zien de parallellie – Jezus is de nieuwe Mozes, zijn woorden zijn de nieuwe Thora. Maar er zijn vooral verschillen: Opvallend is dat als Mozes de berg opgaat, God hem leert, en hij moet de woorden van God vervolgens aan het volk doorgeven. Als Jezus de berg opgaat, leert hij zelf het volk, met gezag. Hij is zo verwant met de Schepper van Hemel en Aarde, dat hijzelf – met gezag – tot het volk spreekt. En wat me verder opvalt is dat Mozes ver weg op de berg bleef; het volk mocht niet in de buurt komen; daar was vuur en bliksem. Als Jezus op de berg spreekt mag het volk dichtbij komen, en van het vuur en bliksem van Gods oordeel en heiligheid is geen sprake. Zien we hier al iets van de verzoening die Jezus tot stand ging brengen tussen God en de mensen die Jezus volgen?

4. De zaligsprekingen
En dan gaat Jezus zijn zaligsprekingen uitspreken. In de Statenvertaling wordt gesproken over mensen die welgelukzalig zijn. De vertaling van het NBG van 1951 noemt die mensen zalig – daar komt ons woord zaligsprekingen vandaan. En de nieuwste Bijbelvertaling heeft het over mensen die gelukkig zijn. Dat woord ‘gelukkig’ is geen slechte vertaling, maar we moeten wel goed begrijpen dat we het niet hebben over ‘geluk hebben’ of ‘mazzel hebben’.

Laten we die zaligsprekingen – Mat. 5:3-10 –, nog een keer samen hardop lezen voor we er wat dieper op ingaan. Zoekt u het gedeelte op in uw bijbel, en laten we het hardop lezen: ik zal steeds de eerste regel lezen, en leest u dan samen de tweede regel? [Lezen Mat. 5:3-10] We gaan deze zaligsprekingen niet een voor een doornemen. Dat zou echt te lang worden. Maar ik wil er wel een aantal kanttekeningen bij plaatsen.

Het is in de eerste plaats goed om te beseffen dat Jezus deze zaligsprekingen niet zomaar verzon. Ze hebben één voor één een duidelijke basis in het Oude Testament. Onze Heer sloot nauwkeurig aan bij het geopenbaarde woord van God. Laat ik drie voorbeelden noemen.
- De eerste zaligspreking is ‘gelukkig wie nederig van hart zijn’. (Mat. 5:3) Luister nu eens naar Jesaja 57:15: ‘Dit zegt Hij die hoog is en verheven, die troont in eeuwigheid – heilig is zijn naam: In hoogheid en heiligheid zal ik tronen met hen die verslagen en onaanzienlijk zijn, opdat de onaanzienlijke geest herleeft, opdat het verslagen hart tot leven komt.’ God doet in het Oude Testament grootse beloften aan mensen met een onaanzienlijke geest, een verslagen hart. Dat idee gebruikt Jezus in zijn Bergrede. Wie zo’n geest, zo’n hart heeft, wie nederig is, mag op Gods zegeningen rekenen.
- Of Mat. 5:8: ‘gelukkig wie zuiver van hart zijn, want zij zullen God zien.’ In Psalm 24:3-4 lezen we: ‘Wie mag de berg van de Heer bestijgen, wie mag staan op zijn heilige plaats? Wie reine handen heeft en een zuiver hart…’ Jezus neemt die gedachte uit het Oude Testament, en houdt de mensen die op de berg verzameld zijn voor, dat wie zuiver van hart is, God zal zien.
- Een derde voorbeeld, lees Psalm 37:11. Daar zegt de Psalmist: ‘Wie nederig zijn zullen het land bezitten’. Dat is taal die Jezus later in de zaligsprekingen gebruikt.

Als je een voor een de zaligsprekingen bekijkt, is niet altijd makkelijk om te ontdekken naar welke oudtestamentische tekst ze verwijzen. Weet u wat eigenaardig is? Als je er de Griekse Bijbelvertaling van het Oude Testament, de Septuagint, die ik al eerder noemde, bijhaalt, dan zie je ineens veel makkelijker op welke oudtestamentische verzen Jezus de zaligsprekingen baseerde. Dan ineens zie je in die Griekse vertaling van het Oude Testament veel makkelijker dat Jezus het oude testament citeerde. Soms lijkt het bijna, alsof Jezus die Griekse Septuagint persoonlijk kende en ook gebruikte… Zou dat kunnen? Jezus die af en toe Grieks sprak? Je zou bijna denken dat Jezus, die zijn Bergrede in het ‘Galilea der heidenen’ hield, en die ook in dat gebied woonde, misschien de taal gebruikte die grote delen van de mensen in dat gebied goed kenden? Wie weet. De discipelen van Jezus zouden later ook al hun brieven in het Grieks schrijven – dat was de belangrijkste schrijftaal van die tijd. En Matteüs moet zeker goed Grieks hebben gesproken; hij was een belastingambtenaar in Galilea die met alle mensen in dat gebied moest kunnen communiceren, zowel mondeling als op papier. Hoe het ook zij, we kunnen elk van de zaligsprekingen heel makkelijk verbinden met de ethiek van het Oude Testament. Jezus brengt dus geen volledig nieuwe boodschap. Hij gebruikt duidelijk de Joodse bijbel, het Oude Testament, als de basis voor zijn onderwijs. Een heel belangrijke reden voor ons dus om het Oude Testament niet als onbelangrijk te zien.

Met de komst van Jezus kwam er niet een enorme breuk, maar Jezus, en de gemeente die hem volgt, staan in de traditie van het Oude Testament. Het is alsof Jezus en Matteüs willen duidelijk maken aan alle Joden – ook de Joden in de synagogen die de jonge gemeente van Christus verfoeiden – : we verwerpen het Oude Testament niet! We zijn mensen van de Schriften! Er is continuïteit tussen de levensstijl die hoort bij het volk van God van het Oude Verbond en de levensstijl die hoort bij het Nieuwe Verbond zoals verkondigd in de gemeente van Christus. Maar er zijn ook grote verschillen. Wat moeten de rabbijnen, de schriftgeleerden van die tijd, gedacht hebben toe ze de woorden van Jezus hoorden? Jezus had, wat hun betreft, horen te zeggen: zalig zijn degenen die zich nauwkeurig aan de wetten van Mozes houden! Maar dat doet Jezus dus niet. Uit de heilige boeken van Israël haalt Jezus al zijn zaligsprekingen, maar hij omzeilt nauwkeurig het noemen van de wetten van Mozes waar de schriftgeleerden juist naar zouden hebben verwezen.

Het idee dat nederigen van hart, of treurenden, of zachtmoedigen, het land zouden beërven, dat ging volledig in tegen hun theologie. Die leerde immers dat alleen Joden die zich stipt aan de wetten hielden, in aanmerking kwamen om in het verwachte volmaakte nieuwe land te mogen wonen. De wet! De wet! Jezus vergeet de wet te noemen! Voor de religieuze leiders van die tijd waren de woorden van Jezus in de zaligsprekingen dus geen vrome zondagschool woorden – ze waren ronduit radicaal en ketters in hun optiek. En waar Jezus nauwkeurig elke verwijzing naar de wetten van Mozes omzeilt in de zaligsprekingen, moeten we als gelovigen van het Nieuwe Verbond enorm oppassen dat we de zaligsprekingen niet als een serie nieuwe wetten gaan lezen. Want waar Mozes tegen het volk zei: je moet dit, je moet dat, je mag dit niet, je mag dat niet, doet Jezus dat niet. De woorden die Jezus de mensen vanaf de berg voorhoudt, de grondwet van het Koninkrijk van God, vormen niet een nieuwe wetgeving.
De zeer bekwame nieuwtestamenticus Tom Wright, bisschop van Durham in Engeland, zegt het zo: ‘In Deuteronomium kwam het volk door de woestijn en het arriveerde aan de grens van het beloofde land, en God gaf ze daar een verbond. Hij noemde de zegeningen en de vloek die over hen zouden komen als ze gehoorzaam of ongehoorzaam zouden zijn (Deut. 28). Nu heeft Matteüs ons Jezus laten zien, die uit Egypte kwam (Mat. 2:15), die door het water en door de woestijn ging (Mat. 3 en 4), en die in het beloofde land kwam. Hier nu is zijn nieuwe verbond. [N.T Wright, Matthew for Everone, Part One (Westminster, 2002, 2004), p.37] [Ned. Vertaling, pag. 51]

Wat Jezus aan de mensen voorhoudt is niet een nieuwe wetgeving, maar een Nieuw Verbond, het is evangelie. Daarom moet je de zaligsprekingen ook vooral niet tot nieuwe wetten maken. Je kunt niet tegen iemand zeggen: jij moet nederig van hart zijn, jij moet treuren, jij moet zuiver van hart zijn. Je moet niet tegen jezelf zeggen: ik moet meer hongeren en dorsten naar gerechtigheid, ik moet meer barmhartig zijn, ik moet, ik moet… Als u dat doet, maakt u het evangelie dat Jezus preekt, tot een nieuwe wet. En we weten dat zelfs in de bekeerde mens niet genoeg goeds woont, om op grond van onze gehoorzaamheid aan de wet, ons heil bij God te verdienen.

5. Geen nieuwe wetgeving
Het gaat Jezus niet om een nieuwe wetgeving in de zaligsprekingen en in de Bergrede. Wat dan wel? Geef me alstublieft de gelegenheid om dat uit te leggen aan de hand van de laatste zaligspreking, in Mat. 5:10: ‘Gelukkig wie vanwege de gerechtigheid vervolgd wordt, want voor hen is het koninkrijk van de hemel.’ Vervolgd worden omwille van de gerechtigheid. Wat is dat? Je zou kunnen denken aan mensen die verdrukt worden omdat ze opkomen voor mensenrechten. Of voor democratie. Dat lijkt me een nogal eenzijdige, onjuiste uitleg. Voor het Jodendom was gerechtigheid zo sterk verbonden aan de wetten van God, dat vervolgd worden vanwege de gerechtigheid, zeker te maken had met de manier waarop Israël meende ten koste van alles, desnoods ten koste van de dood, de wetten van God te verdedigen. Nog liever dood dan varkensvlees eten, of de sabbat breken, of … nou vult u maar in. In het Jodendom in die tijd was het idee van verdrukking en lijden heel levendig, maar het ging dan juist om het lijden omwille van de wet. De wet moest worden hoog gehouden. Het ging om de eer van God, die zich uitdrukte in de eer van de wet. Dus deze laatste zaligspreking klonk aanvankelijk nog niet zo slecht in de oren van de wetgetrouwe Joden die zich tegen de jonge gemeente van volgelingen van Jezus Christus verzetten. Maar Jezus gaat verder en zegt in Mat. 5:11: ‘Gelukkig zijn jullie wanneer ze je omwille van mij uitschelden, vervolgen, en van allerlei kwaad betichten. Verheug je en juich, want je zult rijkelijk worden beloond in de hemel. Zo immers vervolgden ze voor jullie de profeten.’ Hiermee maakte Jezus zich beslist geen vrienden met de Joodse Schriftgeleerden. Hij maakt duidelijk dat de vervolgingen waarover hij het heeft, van de kant van de Joodse leiders komen. ‘Zo immers vervolgden ze voor jullie de profeten.’

Daarmee haakt Matteüs ook precies in op de situatie die de jonge kerken overal meemaakten. Het waren vaak de Joodse leiders, zowel in Israël als in de synagogen in het hele Romeinse rijk die het leven van de eerste gemeente zuur maakten. Jezus bespreekt dit thema in Mat. 23:29-34. Goed om te lezen. [Lezen Mat. 23:29-34] De eerste gemeente, die zwaar werd vervolgd door de Joodse leiders, begreep natuurlijk dat de voorspellingen die Jezus hier doet, over hun gaan. Ze maakten dit allemaal mee. En dus zullen ze de woorden uit de Bergrede ook als geweldige bemoediging op zichzelf hebben toegepast. De zaligsprekingen betekenen niet dat ze hun best moeten doen om nederig te zijn, of om vervolgd te worden; de zaligsprekingen zijn geen wetgeving, maar een beschrijving van de werkelijke situatie van de jonge kerk. Als je leven als volgeling van Jezus zo is, nederig, verdrukt, dan mag je jezelf gelukkig prijzen – je bent gelukkig, zalig, welgelukzalig.

In de woorden over de vervolging zit nog een tweede, veel diepere aanleiding voor diezelfde Joodse leiders om heel boos te worden. Want hoe legt Jezus de woorden ‘vervolgd vanwege de gerechtigheid’ uit? Niet als vervolging omwille van de Thora – maar als vervolging omwille van Jezus zelf. De woorden ‘vervolgd worden omwille van mij’ plaatsen Jezus geheel in het centrum van de zaligsprekingen. Het draait om hem. Zijn volgelingen worden niet verdrukt omdat ze aan de kenmerken van de Bergrede voldoen, maar omdat ze Hem volgen. Voor zijn volgelingen staat niet de Thora, de wetgeving van Mozes, centraal, maar Jezus zelf. Het volle spotlicht valt op onze Heer Jezus zelf.
De Joodse Rabbi en schrijver Jacob Neusner, zei hierover een paar jaar geleden in zijn boek ‘Een Rabbi spreekt met Jezus’ het volgende: ‘Christus staat nu op de berg, hijzelf neemt nu de plaats in van de Thora.’ [Jacob Neusner, A Rabbi Talks with Jesus (Montreal, 2000), p.87] Dat was voor hem dan ook de reden om Jezus niet te kunnen accepteren. Hij vreesde dat dit ten koste zou gaan van de sociale samenhang van het Jodendom. Rabbi Neusner bestudeerde het evangelie heel zorgvuldig, en bespreekt bijvoorbeeld de woorden van Jezus: ‘Kom naar mij, jullie die vermoeid zijn en onder lasten gebukt gaan, dan zal ik jullie rust geven. Neem mijn juk op je en leer van mij, want ik ben zachtmoedig en nederig van hart.’ (Mat. 11:28-29). Voor een Jood mag Jezus zoiets niet zeggen. Jezus maakt zichzelf daar tot het hart van het geloof, en stelt zich daarmee in de plaats van de Thora, zegt Rabbi Neusner. Hij noemt heel concreet dat voor het Jodendom de sabbat de manier is om rust te krijgen. Volgens hem plaatst Jezus zich bewust in de plaats van de sabbat.

Daarmee zijn we aangeland bij het hart van de Zaligsprekingen. Het gaat hier niet om een mooie reeks ethische voorschriften. Het gaat hier om het hart, om Christus zelf. Hij is de hoogste wetgever zelf, en hij is de volmaakte vleeswording van de wil van God. Hij is de werkelijk zachtmoedige, de nederige, niemand is zo barmhartig als hij, hij is de enige die werkelijk zuiver is van hart, en degene die de werkelijk vervolgde is om de gerechtigheid. De zaligsprekingen doen ons Christus in het gelaat zien. Wie is hij? Zo is hij. En wie Jezus volgt, gaat vanzelf – helaas doorgaans veel te langzaam – meer en meer lijken op Jezus en de persoon die hij beschrijft in de zaligsprekingen. Wie Hem wil volgen, beleeft wat Paulus in Gal. 2:20 zegt: ‘Ikzelf leef niet meer, maar Christus leeft in mij…’ Zo wordt dus duidelijk dat de Bergrede geen ethische code is, geen wetgeving, maar karakterbeschrijving. In een complete, volmaakte zin, van Jezus zelf, en beslist veel minder volmaakt, maar wel echt – van ons, zijn volgelingen, voor wie alles om Jezus draait.

6 Wanneer ben je gelukkig?
Wie Jezus volgt, diens leven zal in toenemende mate nederig zijn, treurend, zachtmoedig, verlangend naar gerechtigheid, barmhartig, zuiver van hart, vredestichter. Maar dat gebeurd niet door uit alle macht te proberen om nederig en zuiver van hart te zijn; het is geen kwestie van wetjes. Dat gebeurt door jezelf op Jezus te richten. Hij heeft de plaats van de Thora ingenomen. Jezus geeft hier dus geen nieuwe leefregels, hij geeft ons evangelie, goed nieuws: als je op mij gefixeerd bent, als je mij volgt, dan zal je leven er gaan uitzien zoals in de Bergrede is beschreven, en weet dan dat je een gelukkig iemand bent, want je hoort bij de hemel, je hoort bij God. Dat woord gelukkig is dus wel iets meer dan ‘je bent een mazzelaar’, ‘je hebt geluk gehad’. Het heeft alles te maken met het kind zijn van God en met onze eeuwige bestemming.

Let op: waar geluk, is dus voor mensen die zijn zoals hier beschreven. Hoe eigenaardig is het dan dat heel veel christenen hun geluk overal zoeken, in meer geld verdienen, een mooier huis, trouwen, kindertjes krijgen, conferenties aflopen, speciale samenkomsten bezoeken, hopen dat ze in de volgende bijeenkomst die speciale ervaring beleven, een lekker goed pensioen hebben… een goede begrafenisverzekering erbij… Alsof je daarin je geluk vindt… Geluk vind je, zegt Jezus, in dicht bij mij zijn en mij navolgen… Wat een radicaal evangelie – dat staat haaks op hoe de meeste mensen denken. Die denken dat gezondheid, en succes, en een lang leven, en overwinningen in de strijd, betekenen dat je gelukkig bent. Jezus laat zien dat waarachtig geluk – geluk dat duurt tot in eeuwigheid – samenhangt met hem volgen en met leven in overeenstemming met zijn leven. Zelfs als je daardoor een moeilijk leven hebt, en vervolgd wordt.

Dat is goed nieuws voor mensen onder ons die het moeilijk hebben. Dat je verslagen bent, dat je troost nodig hebt, dat je verlangt naar gerechtigheid, dat je vervolgd wordt, dat het je moeilijk wordt gemaakt in het leven omdat je Jezus volgt, dat is geen zwakte en het betekent niet dat je ver weg bent van God. Als je Jezus navolgt, is God met je – ook al lijkt alles in je leven tegen te zitten – van nu aan tot in eeuwigheid. Tegen zulke mensen, mensen als u en die Hem willen volgen en gehoorzamen, zegt Jezus: Je bent gelukkig – Voor jullie is het koninkrijk van de hemel – Voor jullie is troost – Jullie zullen het land bezitten – Jullie zullen verzadigd worden – Jullie zullen barmhartigheid ondervinden – Julie zullen God zien – Jullie zullen kinderen van God genoemd worden.

Amen
Deel II van deze miniserie is (o.m.) te vinden op:
http://verkenningenbergrede.blogspot.com/

Zie voor een eerder artikel van Jos Strengholt over de bergrede:
Jezus op de Berg: een nieuwe Mozes.

MGhandi“You Christians have in your keeping a document with enough dynamite in it to blow the whole of civilization to bits…” Mahatma Gandhi

Praying for the people of India Dit artikel van Paul Abspoel inspireerde mij tot deze posting. Het verband is misschien hoofdzakelijk associatief, maar ’so what’? Inmiddels is er een heel blog ontstaan over de Bergrede. Klik hier! Dit was toen een van de eerste artikelen en nu heb ik het verplaatst.

Stelling: Met alle respect voor de inzichten van mensen als Mahatma Ghandhi en andere oosters geörienteerde religieuzen, maar volgens mij waarderen die religieuzen e.a. de bergrede -in het Nieuwe Testament- vaak om de verkeerde reden(en).

‘This supposedly great speech full of dynamite’ is m.i. meer een oproep tot persoonlijk ethisch handelen dan een appel voor maatschappelijke of politieke aktie. En de prediking van Jezus is zeker ook een oproep tot geloof in- en toewijding aan de God van Abraham, Izaäk en Jacob. Dat is de godsdienstige context en daar refereert Jezus krachtig aan. We zullen onze stelling toelichten aan de hand van twee korte voorbeelden.

De bron van onderstaande twee voorbeelden kan ik helaas niet meer achterhalen, maar ze komen beiden uit mijn persoonlijk archief. Het fragment uit het artikel ‘The One and The Many’ is waarschijnlijk van ene M.J. Larrabee.

Voorbeeld 1.
In Hokkaido, the northern island of Japan, there is a small Zen monastery where the master is illiterate. The teacher was a farmer’s son and he had been taken to the temple when he was very young. He had never learned to read or write but he completed the koan study and came to complete enlightenment.
That there were other religions except Buddhism he scarcely realised, until he heard the monks discussing Christianity.
One of his monks had been to the university of Tokyo and the teacher asked him to explain Christianity.
‘I don’t know much about it,’ the monk said, ‘but I will bring you the holy book of the Christian religion.’
The master sent the monk to the nearest city and the monk returned with the Bible.
‘That’s a thick book,’ the master said, ‘and I can’t read. But you can read something to me.’
The monk knew the Bible and read the Sermon on the Mount. The more he read, the more the master was impressed. ‘That is beautiful,’ he kept saying. ‘That is very beautiful.’ When the monk finished the sermon the master said nothing for a while. The silence lasted so long that the monk put the Bible down, got himself into the lotus position, and started meditating. ‘Yes,’ the teacher said finally. ‘I don’t know who wrote that, but whoever he was, he was either a Buddha or a Bodhisatva. What you read there is the essence of everything I have been trying to teach you here.’

Voorbeeld 2. fragment uit: The One and The Many – Myth
Christianity and Buddhism are sometimes presented as incommensurable religions. Christianity is on quard against a religion which, because it recognizes no divine personality who exists outside and beyond man, and no revealed scripture, seems almost atheistic. And Buddhism sees in Christianity´s emphasis on the World-to-come an irrelevance, if not a fatal distracton. But to the myth-divining eye (and of course being Christian or Buddhist does not preclude this knack of seeing) the apparent contradictions reside merely in what is fixed, in precept and prejudice, whereas the mystery that is celebrated in the two myths is one and the same.

U begrijpt het wellicht al. Het vervolg van het artikel is één en al jubelzang op de ’striking similarities’ (resemblance) tussen het Christendom en het Boeddhisme, waarbij voor het gemak elk genoemd Christelijk dogma vakkundig omgekat wordt naar een Boeddhistische interpretatie. Interessant genoeg, maar we later het er even bij.

Rest natuurlijk nog de vraag hoe Mahatma Ghandi zelf tegen het Christelijk geloof en de bergrede aankeek. Over een week of wat gaan we die belangrijke vraag beantwoorden aan de hand van de biografie Mahatma Ghandhi (1948), ‘een vertolking’ door E. Stanley Jones. Een mooi boek met linnen omslag en vergeelde pagina´s (228 in totaal).

Ik beëinding deze eerste verkenning met een vraag. Waarom kunnen critici van het Christelijk geloof de bijbelse boodschap niet gewoon laten zoals deze is? Nee, het evangelie moet, om de een of andere mysterieuze reden, altijd eerst verdraaid worden. Alsof de Kerk van toen (eerste twee eeuwen) en de gelovigen van nu (anno 2009) zo dom zijn en het allemaal niet goed begrepen zouden hebben. Het is weinig respectvol wat de critici doen.

Oudere Berichten »